1
/
of
1
Lost Leaf Publications
Een abel spel van Lanseloet van Denemerken (Illustrated)
Een abel spel van Lanseloet van Denemerken (Illustrated)
Regular price
$0.99 USD
Regular price
Sale price
$0.99 USD
Shipping calculated at checkout.
Quantity
Couldn't load pickup availability
Daar bij een opvoering van oude drama's het belang van speler en hoorder zwaarder moet wegen dan de eischen eener strenge wetenschap, is hier en daar de lezing van het handschrift welke, naar Moltzer's uitgave, als grondslag is aangenomen, vervangen door die van den uit lateren tijd dateerenden Goudschen druk. Voor het gemak van den lezer is overal, behalve in den eigennaam Lanseloet, de oe als teeken voor de heldere o-klank vermeden.
3
INLEIDING.
In een handschrift, bewaard in de Bibliothèque des Bourgondes te Brussel, zijn ons de drie eenige en daarom kostbare romantische drama's overgeleverd, welke uit de veertiende eeuw tot ons gekomen zijn. Ze heeten abele (d. i. schoone, edele) spelen, in tegenstelling met de daarna opgevoerde ruwe en kunstlooze klucht. Hun taal munt uit door eenvoud, natuur en welluidendheid. Een van die zeldzame stukken behandelt de tragische geschiedenis van Lanseloet[1] en de schoone Sanderijn. Het is ongeveer een honderd jaar ouder dan Elckerlijc—de tijd van het burgerlijke drama met zijn moraliseering en bespiegeling was nog niet aangebroken—en verplaatst ons niet als Den Spieghel der Salicheit in een symbolische maar in een werkelijke, zij het dan ook geïdealiseerde wereld, van ridders en edelvrouwen. De liefde is er het hoofdthema. Zij is bij den jongen ridder Lanseloet even wel gemeend als bij de bekoorlijke Sanderijn, de dienstmaagd zijner moeder; maar in de eerste plaats is, tegenover Sanderijn's zachte genegenheid, zijne liefde een naar bevrediging 4 dringende hartstocht; en hij, die telkens zijn goede bedoelingen bevestigt met een eed op zijn ridderschap, laat zich, louter om „sinen wille” te kunnen doen, door zijn gewetenlooze, uitsluitend door standsbegrip beheerschte moeder verleiden, om eed en eer, zelfs tegen beter weten en voelen in, door snood geweld te schenden (zie blz. 15 en vlgg.).
Sanderijn is de laaggeborene, die door adel van gemoed uitblinkt onder allen, en ook in haren val haar eer onaantastbaar te bewaren weet. Ze heeft meer karakter dan haar zwakke minnaar; ze is zacht maar beslist, niet onnoozel maar toch argeloos; nederig en bescheiden, of hoog en fier, al naar de omstandigheden dat eischen. Haar voornaamste eigenschap is haar zelf-respekt, haar fijn ontwikkeld eergevoel: Meer dan de daad heeft haar Lanseloet's smadelijk woord gekrenkt ic hebbe uus genoeg, Sanderijn, „ic ben uus nu sat, ende van herten also mat, al haddic VII baken[2] gheten”; en later, in haar ballingschap, volgt ze den vreemden ridder niet als vrouw, vóór ze hem, op even kiesche als dichterlijke wijze (in die 5 keurige beeldspraak van den bloeienden boom die door een edelen valk van ééne bloesem wordt beroofd), haar toestand heeft doen gissen. Naar Lanseloet is het stuk genoemd, en niet Sanderijn, maar de eerst door zijn lust, later door wanhoop en wroeging verbijsterde Lanseloet is de tragische figuur. De gehoorzame zoon van vroeger durft nu zijn moeder en gansch zijn adellijke maagschap te trotseeren om Sanderijn toch maar tot zijn vrouw te mogen maken, en hij sterft, als zijn welmeenende kamerheer Reinout, voor bloedige veete beducht, hem het verzonnen bericht van Sanderijn's dood heeft meegedeeld.
Dr. K. H. De Raaf.
Rotterdam, Juni 1907.
3
INLEIDING.
In een handschrift, bewaard in de Bibliothèque des Bourgondes te Brussel, zijn ons de drie eenige en daarom kostbare romantische drama's overgeleverd, welke uit de veertiende eeuw tot ons gekomen zijn. Ze heeten abele (d. i. schoone, edele) spelen, in tegenstelling met de daarna opgevoerde ruwe en kunstlooze klucht. Hun taal munt uit door eenvoud, natuur en welluidendheid. Een van die zeldzame stukken behandelt de tragische geschiedenis van Lanseloet[1] en de schoone Sanderijn. Het is ongeveer een honderd jaar ouder dan Elckerlijc—de tijd van het burgerlijke drama met zijn moraliseering en bespiegeling was nog niet aangebroken—en verplaatst ons niet als Den Spieghel der Salicheit in een symbolische maar in een werkelijke, zij het dan ook geïdealiseerde wereld, van ridders en edelvrouwen. De liefde is er het hoofdthema. Zij is bij den jongen ridder Lanseloet even wel gemeend als bij de bekoorlijke Sanderijn, de dienstmaagd zijner moeder; maar in de eerste plaats is, tegenover Sanderijn's zachte genegenheid, zijne liefde een naar bevrediging 4 dringende hartstocht; en hij, die telkens zijn goede bedoelingen bevestigt met een eed op zijn ridderschap, laat zich, louter om „sinen wille” te kunnen doen, door zijn gewetenlooze, uitsluitend door standsbegrip beheerschte moeder verleiden, om eed en eer, zelfs tegen beter weten en voelen in, door snood geweld te schenden (zie blz. 15 en vlgg.).
Sanderijn is de laaggeborene, die door adel van gemoed uitblinkt onder allen, en ook in haren val haar eer onaantastbaar te bewaren weet. Ze heeft meer karakter dan haar zwakke minnaar; ze is zacht maar beslist, niet onnoozel maar toch argeloos; nederig en bescheiden, of hoog en fier, al naar de omstandigheden dat eischen. Haar voornaamste eigenschap is haar zelf-respekt, haar fijn ontwikkeld eergevoel: Meer dan de daad heeft haar Lanseloet's smadelijk woord gekrenkt ic hebbe uus genoeg, Sanderijn, „ic ben uus nu sat, ende van herten also mat, al haddic VII baken[2] gheten”; en later, in haar ballingschap, volgt ze den vreemden ridder niet als vrouw, vóór ze hem, op even kiesche als dichterlijke wijze (in die 5 keurige beeldspraak van den bloeienden boom die door een edelen valk van ééne bloesem wordt beroofd), haar toestand heeft doen gissen. Naar Lanseloet is het stuk genoemd, en niet Sanderijn, maar de eerst door zijn lust, later door wanhoop en wroeging verbijsterde Lanseloet is de tragische figuur. De gehoorzame zoon van vroeger durft nu zijn moeder en gansch zijn adellijke maagschap te trotseeren om Sanderijn toch maar tot zijn vrouw te mogen maken, en hij sterft, als zijn welmeenende kamerheer Reinout, voor bloedige veete beducht, hem het verzonnen bericht van Sanderijn's dood heeft meegedeeld.
Dr. K. H. De Raaf.
Rotterdam, Juni 1907.
Share
